Het bereiken van de Atlantische Oceaan en Finisterre, het einde van de wereld

11 en 12 januari. Dag 149 en 150. Albergue Alto da Pena – Albergue Casa Loncho – Albergue la Espiral, Fisterra 26 en 41k. Totaal 4.990k.

This is the end
Hold your breath and count to ten
Feel the Earth move and then
Hear my heart burst again
For this is the end
I’ve drowned and dreamt this moment
So overdue, I owe them
Swept away, I’m stolen

Skyfall, Adele

Santiago voelde onverwacht als een zeer emotionele finish. Met 540 likes en 241 felicitaties op Facebook komt opeens binnen dat ik niet gewoon een stukje aan het rennen ben, maar dat het best een stukje is. Is. Zelf zie je dat niet, want je zit in de actie. Gaat gewoon elke dag te lijf en geniet van het buiten zijn.

Als iemand opmerkt dat het zwaar is, merk ik enkel op dat het beter is dan achter een bureau aan een pc zitten, of zoals ik vaak tegen Fransen zei: Mieux comme une ordinateur et un desk. Spreek belabberd Frans, maar ze begrepen t wel. Het doet me denken aan het nummer Small beginnings van Papercutz. De eerste zin is: Great things have small beginnings.

Onverwacht was ik opeens in Santiago. Voor mijzelf, voor anderen. Opeens zette ik de sokken erin en rende 62 tegen zelfs mijn eigen verwachtingen in. Alles doet zeer, het lijf heeft vakantie nodig.

Aldus stortte ik in. Het lijntje brak, niet onverwacht en ik bracht een dag in bed door in Albergue Pena do Alto. Ik wilde lezen en film kijken, maar sliep. Niet een uurtje, naar een hele dag. En nacht. De avond was er een van bij-eten. De waard somde de hoofdgerechten op, waarop ik zei: ‘Doe maar allemaal! Maar achter elkaar, niet tegelijk…’ Aldus at ik een bord zware Caldo Caleggo, een bord met andere zware soep en een bord met hompen vlees met patatten. Het was een sukkeldag, verdrietig ook met prive-dingies.

De ochtend was goed. Een lieve oude dame nam de honeurs waar en serveerde koffie uit de hemel, maar liefst drie keer, waarna ik op pad ging voor 26 kilometer ploeteren. Het ging niet vanzelf, maar dat hoeft ook niet. Elke stap doet pijn, iets met kapsels, misschien ben ik na zoveel kilometers versleten?

In het gehucht Olveira vind ik het mooi. Ik krijg een slaapzaal toebedeeld in de albergue. Feitelijk krijg ik de albergue, voor de zoveelste keer is er niemand. Badkamers, woonkamer, terras en slaapzalen, it is all mine. Voor tien euro.

In de avond naar de bar vijftig meter verder. Een heerlijk menu peregrino del dia in een sfeervol etablissement met veel steen en hout. Ik ga dit missen. Ik ga Spanje missen. Oude mannen die hier al duizend jaar wonen kwebbelen rapido, ieder doet zijn ding en zo gaat het hier al generaties. De mensen zijn vriendelijk, de prijzen normaal en ik voel Camino-respect.

De volgende ochtend heeft de ochtendstond goud in de mond. Om 8.10 sta ik mijn tanden te poetsen met de kop naar het oosten. Adembenemend. Het weer is prachtig vandaag en ook de komende dagen.

Ik ga vol goede moed op pad. In Hospital tref ik de laatste bar voor 15 kilometer. Twee koppen koffie en twee repen chocolade om ontbijt en lunch te coveren; de door wol geverfde pelgrim wordt steeds makkelijker. En dan is dit nog een Camino met voorzieningen… Loop van Zuid-Spanje naar hier en er zijn trajecten van tientallen kilometers zonder iets. In de zomer draag je alleen al vier liter water bij je.

De bar wordt gerund door oma. We noemen haar Conchita. Met haar kleinkind op de arm maakt ze mijn tweede kop koffie. Ik stel me voor aan de kleine man als Juan uit Ollanda. Het maakt geen enkele indruk, maar zij trekt trots twee kleine Delfst-blauwe-klompjes uit een lade, van n Ollandse pelgrim. Ik moet lachen want collega Paul en ik deelden deze uit aan de Inuit in Groenland en IJsland tijdens onze poolexpedities. Herkenbaar.

De kilometers vliegen vandaag. Als ik maar blijf lopen, voel ik de rechtervoet niet. De peesplaat is sterk geïrriteerd en als hij een bui heeft, sta ik voorover over mijn pole diezelfde voet af te vallen met minder mooie termen. En doorrr.

Halverwege kom ik door het dorp Cee. Een biertje. Ik bel mijn vader. De vraag waar hij denkt dat ik zit. Mijn antwoord is hemels: Ik zit in mijn zweetshirt, in de zon, onder een palmboom aan het strand, aan de Atlantische Oceaan, een biertje te drinken met tapas. Hij kan enkele iets brabbelen met jaloezie. Dit is wel heel prettig ja. Iets met laatste loodjes, die eens een keer geen pijn doen.

Het is wel een momentje. Ik ben 16 augustus gestart en Apeldoorn, ging een bakkie doen bij mijn vader in het Sauerland, bezocht studievriend Peter en München, maakte een uitstapje naar Innsbruck voor een trailrun, doorstak de Zwitserse, Oostenrijkse, Liechtensteinse en Franse Alpen, viel in Monaco uit de bergen, trok langs de Cote d’Azur, rende de Arles-route alias Via Tolosana, volbracht de Camino Frances, knalde door Santiago heen en nu sta ik aan de machtige, uitgestrekte Atlantische Oceaan. Ik heb een continent doorkruist en pas sinds twee dagen begint dat een beetje in te zinken. Voldaan sip ik aan mijn cerveza terwijl de waard knipoogt en me extra tapas toeschuift. Viva Espanha.

De kust bestaat uit lieflijke baaien, met witte huisjes, een lichte energie, leuke en attente Spanjaarden die groeten en Buen Camino wensen, heel rustig rijdend verkeer ten opzichte van de Cote d’Azur en nergens zwerfafval. Het is een hemels paradijsje op aarde hier. Alsof alles hier trager gaat dan in het echte leven, een soort cocon waarin andere tijd tikt. Of de tijd anders tikt, zo je wilt.

Aldus ga ik met heel veel gretigheid op pad voor de laatste 15 kilometer van Cee naar Finisterre. Als je weet dat de omgeving prachtig en veranderlijk is, kun je blijven gaan.

Ik passeer baai na baai, witte zandstranden en golven die op de kust inbeuken en nevels van schuim achterlaten. De zon schijnt onophoudelijk vol in het aangezicht en als ik niet anders wist, was het zomer. De iPod doet haar betoverende werk. Muziek kleurt ervaringen en ervaringen geven op haar beurt kleur aan muziek. Zo zal mijn playlist na deze tocht nooit meer hetzelfde zijn. Ieder nummer heb ik tientallen keren gehoord en heeft lading gekregen. Bij ieder nummer gehuild, gelachen en gezweet.

Als ik over een laatste bult kom, een heerlijke baai voor me met een breed wit zandstrand. Daarachter tegen een groene helling het dorp Finisterre. Als dit het eind van de wereld is, dan wil ik daar wel wonen. Zelfs al zou ik eraf kunnen vallen. Achterop de bult zie ik het gebouw dat het echte einde van de wereld markeert. Deze landtong is het meest westelijke “einde van de wereld”. Vreemd dat het zo genoemd wordt, want halverwege Portugal is er land dat verder west ligt.

Ik wil de Camino voor het eerst sinds binnenkomen van Spanje verlaten. Deze laatste baai neem ik via het prachtige, verlaten zandstrand. Ik wil langs de waterlijn slenteren.

Eerst wordt ik staande gehouden door een markante oude kerel met Sinterklaasbaard. Hij is kunstenaar en duwt me ansichtkaarten van eigen hand, in de hand. Bijzonder, want ik wil al mijn ondersteuners een ansichtkaart sturen en ik heb er nog niet voldoende verzameld… precies op het laatste moment, met het oog op Finisterre, duwt iemand de laatste kaarten in mijn hand. Synchronie to the max.

Ik laat wat euro’s bij hem achter. Hij is de wereld meermaals rondgezeild als kapitein van de Baskische equipe. En hij lult zo hard dat ik me bijna niet meer los kan weken. Een pratend orakel, dan nooit vraagt en nooit luistert, ronduit irritant. Wel blij met de kaarten.

Het strand is heerlijk. Wat een entree na zoveel kilometers; een baai met fijn wit zand, golven die aanrollen en enorme Jacobsschelpen die ik in mijn rugzak duw. Het laatste stuk van de baai is vol van zeewier. Meermaals heb ik deze tocht de geur van hout gestookte kachels en humus bezongen. Hoe heerlijk is de geur van ziltig zeewier? Opeens de klanken van tikkende tuien op zeiljachten, het gekwetter van zeemeeuwen, het gebulder van golven tegen de rotskliffen. Finisterre, ik ben er.

En ik loop er dwars doorheen… Bij de buurtsuper een fles wijn, een gerookte worst en een stuk kaas. Ik heb 33 kilometer in de benen en rammel meteen nog 2,5 kilometer verder naar de kaap, Cabo Fisterra. Zoals altijd gaan laatste loodjes bergop. Vuurtorens liggen hoog. Ik laat me fotograferen, loop om de vuurtoren heen, tot ik echt niet meer verder kan. Tussen de rotsen zet ik me met wijn, worst en kaas. Ruim een uur niets anders dan kijken naar de machtige oceaan.

Nietige bootjes worstelen tegen de golven ver onder me. De wind blaast de schuimkransen van de golven en laat nevels achter. De rotskliffen beneden veroorzaken rare stromingen, draaikolken en dreigende witte achuimkolken. Fascinerend. Uren kan ik ernaar kijken. De oceaan drijft op de wind voorbij zoals hij dat al duizenden jaren doet, terwijl deze pelgrim zich klein voelt genesteld tussen de rotsen. Een gevoel van grootsheid aan de ene kant, dat ik hier ben. Een gevoel van nietigheid anderszins omdat het allemaal onbelangrijk is en er grotere stromingen in het spel zijn. Miljoenen gingen mij voor en ik volgde in hun voetsporen, zoals miljoenen anderen dat na mij zullen doen.

Op Finisterre hoor je de zon in de zee te zien zakken als pelgrim, het is één van de rituelen die bij de pelgrimage horen. Gelukkig is het rustig. Iets verderop één stelletje. Ze dragen mondkapjes. Ze zijn duidelijk verliefd. Ze zoenen elkaar. Met kapje. Het kapje gaat niet af. Alle gekte in de wereld belichaamd door een zoenend stelletje met mondkapjes. Ik moet denken aan het prachtige boek De Alchemist van Paulo Coelho. Een herdersjongen reist de hele wereld over op zoek naar een schat, om dan te constateren dat hij onder zijn voeten begraven ligt. Ofwel, het gaat er niet om waarheen je gaat, je neemt jezelf altijd mee. de metafoor naar dit verliefde koppeltje; het maakt niet uit hoe ver je (weg)rent, je kunt de wereld niet afschudden. Zelfs niet aan het eind. Het zet deze pelgrim met een donderende klap weer met beide verzuurde benen op de grond. Tijd om een albergue te gaan zoeken.

Niet nadat ik een gedicht deel van een van mijn favoriete dichters, David Whyte.

Finisterre
The road in the end taking the path the sun had taken,
into the western sea, and the moon rising behind you
as you stood where ground turned to ocean: no way
to your future now but the way your shadow could take,
walking before you across water, going where shadows go,
no way to make sense of a world that wouldn’t let you pass
except to call an end to the way you had come,
to take out each frayed letter you brought
and light their illumined corners, and to read
them as they drifted through the western light;
to empty your bags; to sort this and to leave that;
to promise what you needed to promise all along,
and to abandon the shoes that had brought you here
right at the water’s edge, not because you had given up
but because now, you would find a different way to tread,
and because, through it all, part of you could still walk on,
no matter how, over the waves.

Hasta mañ

ana.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: