Mijn tentmaatjes zijn heel trouw in het binnenhalen van de laatste binnenkomers in de avond. Soms ga ik mee. Bij de eerste stage staan we allemaal langs de opgeblazen finishlijn.
Precies om 17.00 uur, de cutoff, stapt ze over de finish.
De mensen langs de kant klappen, maar zij kijkt niet op.
Alleen, wit en moe loopt ze door.
Sommigen stappen na zo’n stage uit. Anderen komen elke keer net op tijd binnen en starten weer. Zelfs na een binnenkomst bij de long stage om acht uur ’s avonds, als we de volgende dag om 6:30 uur in de ochtend weer starten voor de 42k. Maar zij geeft aan niet meer te starten.
Soms is elk checkpoint een soort finish. De blue jackets staan je dansend op te wachten en ik dans mee. Mijn rugzak hobbelend op mijn rug, poles in mijn handen. Ik weet niet of iemand het op de livecam heeft gezien, maar charmant was het vast niet.







Een finish na een stage is iets bevredigends. Het is klaar voor de dag. Meestal kijk ik al een uur uit naar mijn recovery shake. De dag zakt daarna langzaam in je lichaam.
Maar na de finish van de 42k wacht iets bijzonders. Die avond, als de laatsten binnenkomen, krijgen we fruit. Het klinkt als in de rij staan voor schoolmelk, wat ik vroeger heel vies vond. Maar dit is anders: we krijgen namelijk een banaan en een sinaasappel.
‘Thuis’ op de grond snij ik de sinaasappel open met het allerkleinste en lichtste Swiss Army-mesje. Het lijkt speelgoed, maar is verdomd scherp. Na dagen van droogvoer, reepjes en noten is de sinaasappel een waar geschenk. De banaan is ook zo op. En dat is maar goed ook, want voor de laatste stage morgen heb ik eigenlijk niet genoeg eten meer.
Ik moet nog 23 kilometer over de duinen op 800 calorieën. Ik ben iets te zuinig geweest met de grammen bij het inpakken. De nacht is kort en ik lig wakker en weet dat er geen volgende nacht meer is in dezelfde vorm. Een steentje prikt in mijn heup en ik draai me maar weer om. De slaap komt niet. Mijn gedachten schieten naar de laatste kilometers.
De volgende ochtend vermijd ik het zachte zand in het midden, waar de meeste mensen lopen, en ga aan de rand over het harde zand. De zon is op en net als ik op ander terrein kom hoor ik vogelgeluiden, maar ik zie ze niet.
Na de race hoor ik van Astrid en Kees dat het waarschijnlijk de Arabische buulbuul was. Een vogel voor droge gebieden met enige vegetatie. Een bruin vogeltje met een zwart koppie, met opvallend gele ringen rondom de ogen. Een beetje uitgeschoten met de eyeliner vanochtend. Alles is hier tegelijk mooi en hard.
Ik schiet lekker op, maar voel langzaam de kracht wegebben. Gelukkig komt Annebel langs en heeft ze bij het checkpoint nog een suikerreepje over. Een pure krachtbron die ik hard nodig blijk te hebben.
En dan verandert het weer.
Zodra we het checkpoint verlaten laait een sterke wind op. De eerste druppels vallen. Ik dacht aan een relaxte 8 kilometer tot de finish, maar het wordt tegen de storm in beuken.
Ik wil nu zo graag de finish over dat ik hard doorstap en veel mensen passeer.
De stad die ik net nog zag liggen is verdwenen in een hemel van zand. In de verte zijn andere lopers nauwelijks meer te zien. De buff trek ik als bivakmuts over mijn zonnebril. Ik kijk naar de grond terwijl ik doorstap en af en toe een tel naar voren, om de richting te houden. Zelfs dat helpt niet genoeg, zand prikt in mijn ogen. Ik zie een Engelse jongen te lang naar de grond kijken, hij wijkt af naar rechts en loopt een heuveltje in. Verschrikt kijk hij even op, bepaalt zijn koers en leunt weer tegen de wind in. De wereld vervaagt tot één saaie zand kleur. Duinen en lucht lopen in elkaar over en weg zijn de mooie oranje zandduinen. Ik zie alleen nog de paar stappen voor mijn voeten. Daarbuiten is niets meer te onderscheiden. Is er nog een finish? Net nu de bewoonde wereld weer dichtbij lijkt, verdwijnt alles opnieuw. Alsof je het laatste stuk nooit cadeau krijgt.
Ik hoor muziek.
De finishboog doemt op.
Een rood tapijt ligt meterslang uitgerold. Ik ren het laatste stuk en dan ben ik binnen. Een medaille om mijn nek en ik loop door.
Was dit het? De stilte na de finish komt hard binnen.
Dan voel ik twee armen om me heen en hoor ik een luide snik, mijn Ierse tentmaatje. We huilen en juichen tegelijk. Even later loop ik verder, door de checks na de finish, en stap ik de bus in voor een lange rit naar Ouarzazate.
Zeven uur. Genoeg tijd om na te denken.
Ik denk aan de kinderen halverwege de route, die souvenirtjes verkopen. Zij proberen weg te komen uit dit leven in de woestijn.
En wij betalen om er even doorheen te mogen rennen.
Waarom doe je dit?
Niet voor de medaille. Niet voor de tijd. Voor de momenten waarop het bijna niet meer gaat en toch nog wel. Voor een suikerreep in de wind. Voor een sinaasappel.
Voor samen onderweg zijn, maar ook alleen.
En misschien ook om te voelen hoe het is om even heel ver van huis te zijn, zodat je weer weet wat thuis eigenlijk betekent.
Niet een plek. Maar waar ik ben met anderen.



Plaats een reactie