The Long Stage
100 kilometer. Geen weg terug. Alleen maar vooruit en ontdekken wat er overblijft als het pijn gaat doen.
We lopen al kilometers door hetzelfde landschap: een lange zandweg vol stenen. Links en rechts in de verte rijzen hoge, zwarte bergwanden op. Boven ons een schroeiende zon, in de rug een harde wind, een voorteken van de storm later in de nacht.
Vanochtend stond ik even stil in het startvak. Met mijn tentgenoten loop ik om 04:30 uur het vak in. De blue jackets checken bij de ingang of onze trackers aanstaan. We hebben een vaste plek, zodat we elkaar makkelijk terugvinden als iemand nog naar de wc moet. Langs het lint, een beetje tegenover het podium.
Het vak stroomt steeds voller en links en rechts worden we opzij geduwd door mensen die nog vooraan willen starten.
Ik kijk richting de bivouac: een stroom van rode en witte lichtjes komt onze kant op. Iedereen heeft zijn hoofdlamp al aan. Cyril Gouthier staat op het podium. Elke dag is er een nieuwe boodschap voor ons. Vandaag is het een ‘present’, die we krijgen bij checkpoint 4: een MDS-buff met ijsvakje, die we bij elk checkpoint kunnen laten vullen.

Vandaag loop ik samen met Annebel de long stage: 100 km. Samen denken we het te redden. De buff nemen we meteen op in ons plan. Zoveel mogelijk rennen nu het nog koud is. Een buff bij checkpoint 4, een eerste stop van een half uur bij checkpoint 5. Daarna rustiger door als de zon hoog staat. Als het afkoelt weer rennen en dan zien we wel hoe ver we komen. Een tweede stop van een half uur later, of meer als dat nodig blijkt.
Een 100 km is namelijk geen 100 km. Het is van checkpoint naar checkpoint. Van doel naar doel, zonder achterdeur of way out.
Highway to Hell schalt door de speakers, de horloges gaan aan. We tellen af naar nul en de stroom zet zich in beweging. Ik slik iets weg. Dit is hem dan.
Maar we lopen lekker, kletsen en bereiken de befaamde rode duinen. Duinen doorkruisen is als een gletsjer oversteken. Een single track vormt zich langs de steile helling. We steken een smalle zandrug over tussen twee duinen en maken foto’s van elkaar. Ze kunnen zo in een reisreclame. Dit is de Sahara zoals je hem verwacht. Als we afdalen schieten kleine, gelige schorpioenen weg.
We rijgen de checkpoints aan elkaar met ijs in onze nek.
“Drink jij nog?”
“Ja, jij?”
Regelmatig checken we bij elkaar hoe het gaat. Het is fijn om samen te lopen, te praten, maar ook samen stil te kunnen zijn.
Als het in de middag afkoelt lukt rennen niet meer goed. Dan maar lopen. De voeten laten zich voelen en als we eindelijk het volgende checkpoint bereiken, kunnen we nog net in de schemering ons avondeten maken.
Een Belg schuift aan. Hij heeft zijn maatje moeten achterlaten bij checkpoint 5, te ziek om door te gaan. Hij haalt nog drie bekertjes thee voordat we onze hoofdlampen aandoen voor de nacht.
We stijgen in het donker door een wadi. De paaltjes met reflecterende strepen lichten op in de bundel van onze lampen. Voor ons zien we kleine witte lichtjes van anderen, als sterren op ons pad.
Als we even gaan plassen doen we onze lampen uit. Stil kijken we omhoog. De diepte van het heelal vult zich. De sterren lijken bijna aanraakbaar. Wat een geluk om hier te mogen zijn.
En wat doen die voeten een verdomde pijn.
Een koord van gouden lichtjes beweegt zich voor ons, geen lopers. Wat dan wel? We passeren vijf kamelen met lichtslingers op hun zadels. We kijken naar hun verrassend elegante ogen met de lange wimpers, die ze niet hebben om mooi te zijn maar voor het zand. We groeten de begeleiders, die vragen of het goed gaat.
Bij alle checkpoints liggen tenten plat door de wind. Maar de blue jackets halen ons telkens weer enthousiast binnen, al slapen ze zelf ook niet. Elk checkpoint is anders: soms zijn er nootjes, dan weer een kampvuur met strandstoelen.
Als we vertrekken neem ik me voor door te blijven lopen, het is te koud om stil te zitten. Maar bij een volgend checkpoint plof ik neer op een kleed. Even die rugzak af.
Voor het checkpoint veranderde de ondergrond plotseling in een zee van onregelmatige platen. Voor ik het doorheb stap ik in een kuil en schiet het in mijn rug. Ik vloek.
Nog 16 km. Ik slinger van vermoeidheid.
“Je helt naar links,” hoor ik Annebel.
Ik probeer mijn houding te corrigeren, maar mijn rug protesteert.
Nog 8 km vanaf het laatste checkpoint. Bij 5 km zien we een kleine Aziatische vrouw die als een dronken man over het zand schuift. Annabel gaat kijken, maar de vrouw stelt haar gerust.
Nog even.
Het is net zo ver als het grote rondje thuis met Fay, denk ik. Daarna nog het kleine rondje. Ik zie haar voor me, langs het water, snuffelend in het gras. Af en toe kijkt ze om. De hand van Jan Fokke in de mijne. Met hen loop ik door.
In de verte zien we de finish. We horen de muziek, maar komen niet dichterbij. In een wijde boog lopen we om het kamp. Hier hebben de parcoursbouwers vast lol om gehad. Wij niet.
Maar dan: de finishboog.
De speaker draagt een bordje ‘free hugs’ en geeft me een enorme knuffel. Ook Annebel krijgt er een. We hebben het geflikt. De long stage ligt achter ons.
We zijn 24 uur onderweg geweest. Ik denk dat ik meteen in slaap val, maar dat gebeurt niet.
Bij de tent wordt iedereen wakker als we aankomen. Ik maak een recoveryshake en zit klaarwakker voor me uit te kijken, slurpend aan een waterige aardbeienshake.
Wat vond ik hiervan?
Ik wilde sneller. Het deed pijn, maar het kan. Je kunt je hoofd dwingen de pijn te negeren. Levert het iets op? Ja: vertrouwen. Maar ook een verlangen naar iets anders.
Ik ben meer een nomade dan een ultrarunner. Ik wil onderweg zijn, landschappen zien veranderen, dieren observeren, mensen ontmoeten, zonder de druk van een wedstrijd.
En samen.
Ik heb mezelf met deze MDS alleen uitgedaagd, maar ik ben liever met Jan Fokke onderweg.
De rest van de dag lig ik te suffen in de tent. Echt slapen lukt nauwelijks, met het zand dat voortdurend over ons heen waait. Een zandstorm teistert het kamp. Af en toe looping naar de finish om naar de binnenkomende lopers te kijken. De pijn van van vannacht weer weg en de euforie over de nacht is groot.
Zes halve rijen van honderden berbertenten staan rondom een enorme binnenplaats met de MDS-letters. De berbers zetten omgeblazen tenten opnieuw op.
Mijn tentgenoten kijken het af en repareren onze eigen tent. Eén van de open kanten gaat dicht.
Op onze matjes genieten we van de plotselinge rust en bestuderen we de route van morgen: 42 km. Just a parkrun,” zou de Schot zeggen die ik in de medische tent sprak.
Vannacht is er iets verschoven. Ik weet nu dat ik door kan als het pijn doet. Dat ik mijn hoofd kan gebruiken om verder te komen dan ik dacht. Maar ik weet ook iets anders. Dat ik niet gemaakt ben om alleen maar te racen.
Jaren geleden leefde ik al maanden uit een rugzak in de Pyreneeën. Dat gevoel komt hier, midden in de woestijn, weer terug. Ik wil onderweg zijn. Niet zo snel mogelijk van punt A naar B, maar om te zien wat ertussen ligt. Misschien is dat wel de echte finish: weten hoe je verder wilt.



Plaats een reactie