De rij met plastic krukjes in zone 4 staat vol wachtende mensen. Ik zit er ook, in de medical tent. Zodra de voorste geholpen wordt, schuift iedereen één krukje op. In het midden van de rij staat zelfs een plastic tuinstoel.
Als ik daarop neerzak, slaak ik even een zucht. Een stoel.
Met mijn tentgenoten grappen we dat we zelfs op de wc even genieten, omdat we kunnen zitten.
De medische tent is gigantisch en van plastic. Binnen hangen Marokkaanse doeken en op de grond liggen rieten matten. Vlak bij de ingang, in zone 3, staan ronde lage tafels. Blauwe bakjes vol naalden, doekjes en gaas. Hier kun je, zittend op de grond, je eigen blaren doorprikken en verbinden. Rond alle tafels zijn mensen bezig met hun voeten.
Ik schuif een krukje op en neem een slok uit mijn bidon. Buiten brandt de zon op het dak. Iedereen die door het kamp loopt, zie je de hele dag lurken aan zijn bidon.
Naast me zit een Schotse jongen met last van zijn schouder. We praten een uur lang over munro’s in Schotland, fell running en de Bob Graham Round. Ondertussen kijken we naar de mensen op de stretchers voor ons.







Een groot deel van de tent ligt er vol mee. Zone 4 is voor extreme blaren, en waar ik nu zit, zone 5, voor al het andere. Sommige mensen liggen apathisch voor zich uit te staren. Ik hoop dat ze morgen weer kunnen starten.
Een vrouw loopt met haar arm in een mitella. Haar ogen zijn rood als ze met een telefoon van de organisatie naar huis belt dat ze moet stoppen. Een andere vrouw ligt op haar buik terwijl de blaren op haar hiel worden verzorgd. Aan het verband op haar kin te zien, is ze hier vaker geweest.
De een na de ander wordt weggeroepen door een ‘orange jacket’, zoals de artsen hier worden genoemd. Soms Engels, soms Frans met een beetje Engels.
Ik ben al drie dagen misselijk en eet maar een derde van mijn ontbijt en avondeten. Mijn tentgenoten kijken streng als ik het weer weggooi voordat het op is. Vandaag voelde ik me leeg tijdens het rennen. Dit houd ik zo niet vol. Dus zit ik hier.
“Next in line,” hoor ik een arts zeggen.
Dan kijkt hij naar mijn startnummer, naar het vlaggetje.
“Ah, we kunnen Vlaams spreken,” zegt hij opgewekt.
Verbaasd schakel ik over naar het Nederlands. We lopen naar achteren, waar hij naar een stretcher wijst. Hij gaat op de stretcher naast me zitten. Rustig vraagt hij hoe het gaat. Naar de klachten. En dan nog een keer, hoe het écht gaat.
Na tien minuten zegt hij dat hij me iets tegen de misselijkheid gaat geven. Maar hij staat niet op. Het gesprek gaat verder. Alsof er geen rij wachtenden is.
“Je misselijkheid is een teken,” zegt hij uiteindelijk. “We gaan dit onderdrukken met medicatie. Maar het blijft een waarschuwing. En die moet je serieus nemen, anders red je het hier niet.”
Hij kijkt me bezorgd aan.
Ondanks mijn trouwe bidon drink ik te weinig. Daardoor word ik misselijk en zo kom ik in een vicieuze cirkel terecht.
Ik bedank hem, slik de pil en loop naar buiten.
In onze lage berbertent vraagt iedereen meteen hoe het ging. Ik kruip op mijn halve foam matje en maak een nieuwe bidon met een bouillonblokje. Elke deelnemer moet er veertien meenemen.
De hele middag liggen we wat te praten. Met acht personen is de tent goed vol. ’s Nachts omdraaien zonder iemand te raken is bijna onmogelijk.
Maar nu is het borreluur. Lauwe bouillon en een paar noten. Terwijl we praten over bier en bitterballen.
De volgende ochtend, voor de 100 kilometer, eet ik mijn hele ontbijt op. Ik voel me sterker.
Na een paar uur lopen denk ik aan de arts. Hij moet haast door mijn (Zeeuws-)Vlaamse vader gestuurd zijn, maar slechts 15 van de 600 vrijwilligers spreken Nederlands.
De zwarte bergen in de verte, met hun prachtige ronde aardlagen, zijn niet de kern van mijn wedstrijd.
De mensen wel.
Zeshonderd vrijwilligers maken deze race mogelijk. Een van de ‘blue jackets’ laat me zijn handen zien: totaal gebarsten door de droogte, zijn handpalmen vol sneden van het openen van duizenden waterflessen. Zodat wij bij elk checkpoint direct water in onze bidons krijgen.
Blue jackets die zonnetjes tekenen op je 5-literfles. Die je onderweg een klopje op de schouder geven. Water over je nek gieten bij een checkpoint. En als je geluk hebt en de juiste Franse vrijwilliger treft, zelfs een korte hoofdmassage.
Voor de dames dan.
Veertig kamelen trekken mee met hun begeleiders. Lokale jongens bouwen telkens opnieuw het kamp op.
En mijn tentgenoten, een willekeurig samengesteld team van Nederlanders, Zweden en een Ierse. Iedereen loopt zijn eigen race.
Eén in de top 30, twee in de top 100, twee rond plek 400–500, en wij met z’n drieën ergens rond de 800.
Maar dat verschil maakt niets uit.
Niet voor de humor.
Niet voor de hulp.
Niet voor het gevoel samen



Plaats een reactie